Met de komst van Rost van Tonningen in de leiding van de partij veranderde het een en ander. In de lente van 1938 eiste hij dat de beweging voor Joden zou worden gesloten. Eind oktober van datzelfde jaar kreeg hij zijn zin:
‘Mussert besloot geen Joden meer toe te laten tot de NSB; het geringe aantal dat er zat, kon blijven. Daarvan deed hij mededeling in een toespraak te Amsterdam waar op 22 oktober ‘38 negenduizend ‘werkers’ uit het gehele land bijeenkwamen. Het antisemitisme was het derde en laatste punt dat hij behandelde. Nog steeds beschouwde hij zich niet als echte antisemiet...
“Zijn wij antisemiet, ja of neen?” Daarmee begon zijn passage over punt drie. Een reactie verwachtte hij niet, maar “honderden leden, voornamelijk Amsterdammers, lieten een juichend ‘Ja!’ horen en overstemden daarmee andere uitroepen. Mussert was door deze reactie dermate verbijsterd dat hij zijn rede gedurende enige ogenblikken moest onderbreken om zich te herstellen.” Toen kwam zijn antwoord: “wij zijn voor het Nederlandse volk en dus tegen alle machten die ons volk belagen, die ons volk uitbuiten, die ons volk zijn karakter willen ontnemen, die ons volk in slavernij willen brengen. Meer en meer blijkt dat in de machten die ons volk ondergraven, Joden een belangrijke rol spelen. Deze macht hebben wij te breken. Wil men dit antisemitisme noemen? Mij wel.”
Ook Joden hadden intussen, aldus Mussert, “recht op een bestaan. Reeds honderden jaren wonen hier te lande Joden. Een deel van hen is hier ingeburgerd... wenst niet meer dan in goede harmonie een behoorlijk stuk brood te verdienen op alleszins eerlijke wijze. Tegen hen hebben wij niets. Maar met alle felheid die voortspruit uit, die geadeld is door de liefde tot eigen volk, keren wij ons tegen het internationale Jodendom dat hier de baas wil spelen.”’

L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 1 (Den Haag 1969), 299.